De
onderstaande tekst is de wettekst van de wet op het overleg huurders
verhuurder zoals deze is gepubliceerd in het Staatsblad 1998, nummer
501 op 13 augustus 1998, met daarin verwerkt de wijziging van wet
die in dezelfde editie van het staatsblad is gepubliceerd onder nummer
502. De wetten gelden zoals deze zijn gepubliceerd in het Staatsblad.
Wet
van 27 juli 1998, houdende regels ter bevordering van het overleg
tussen huurders en verhuurder van woongelegenheden (Wet op het overleg
huurders verhuurder)
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses
van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het gewenst is wettelijke
regels te stellen ter bevordering van het overleg tussen huurders
van woongelegenheden en de verhuurder daarvan;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg
der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer;
b. woongelegenheid:
1. woning;
2. standplaats in de zin van de Woningwet; en
3. woonwagen in de zin van de Woningwet.
c. wooncomplex: een verzameling van ten minste twintig in elkaars
nabijheid gelegen woongelegenheden welke financieel, administratief,
qua bouwwijze of anderszins een eenheid vormen;
d. verhuurder: verhuurder van ten minste honderd voor verhuur bestemde
woongelegenheden in Nederland;
e. huurder: huurder van een woongelegenheid van een verhuurder als
bedoeld onder d, welke huurder daarin zijn hoofdverblijf heeft;
f. huurdersorganisatie: vereniging of stichting, die als doelstelling
heeft het behartigen van de belangen van huurders van een bepaalde
verhuurder en die voldoet aan de volgende vereisten:
1. tenzij het een toegelaten instelling betreft, zij kan aantonen
dat zij ten minste 50% van de huurders, dan wel indien de verhuurder
dat schriftelijk aan de huurders heeft bekendgemaakt, een door die
verhuurder aangegeven lager percentage van de in haar statuten of
reglementen omschreven woongelegenheden of wooncomplexen van de verhuurder
vertegenwoordigt;
2. het bestuur wordt gekozen of aangewezen door en uit de huurders
die zij vertegenwoordigt;
3. zij houdt de huurders op de hoogte van haar activiteiten en betrekt
hen bij haar standpuntbepaling;
4. zij schrijft ten minste eenmaal per jaar een vergadering uit voor
de huurders, legt daarin verantwoording af van haar activiteiten in
het verstreken jaar en bespreekt haar plannen voor het eerstvolgende
jaar en stelt deze vast, en
5. zij stelt alle huurders van de woongelegenheden of wooncomplexen,
waarvoor zij de belangen behartigt, in de gelegenheid om zich bij
haar aan te sluiten.
2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder huurder
mede verstaan degene die de woongelegenheid met toestemming van de
verhuurder huurt van een huurder die haar huurt van die verhuurder.
Artikel 2
1. Indien met betrekking tot de woongelegenheden of een of meer wooncomplexen
van een verhuurder meer huurdersorganisaties zijn opgericht, geldt
deze wet voor al die huurdersorganisaties, tenzij de verhuurder en
die huurdersorganisaties gezamenlijk anders afspreken.
2. Indien ten aanzien van alle woongelegenheden van een verhuurder,
die een toegelaten instelling is als bedoeld in artikel 70, eerste
lid, van de Woningwet, één huurdersorganisatie is ingesteld,
worden huurdersorganisaties, ingesteld met betrekking tot een of meer
wooncomplexen van die verhuurder niet aangemerkt als huurdersorganisatie,
tenzij de verhuurder en de eerstbedoelde huurdersorganisatie anders
zijn overeengekomen.
HOOFDSTUK 2. INFORMATIE- EN ADVIESRECHT VAN HUURDERSORGANISATIES
Artikel 3
1. De verhuurder informeert de betrokken huurdersorganisatie op verzoek
zo spoedig mogelijk schriftelijk over zijn beleid, dat rechtstreeks
te maken heeft met de betrokken woongelegenheden of wooncomplexen
en de woonomgeving daarvan, dat van invloed is op de directe woon-
en leefsituatie van de betrokken huurders en dat voor hen van wezenlijk
belang kan zijn.
2. Dit recht op informatie omvat in elk geval informatie over de volgende
onderwerpen:
a. het in stand houden van en het treffen van voorzieningen aan woongelegenheden
en de direct daaraan grenzende omgeving;
b. het slopen van woongelegenheden;
c. het toewijzings- en verhuurbeleid;
d. de door de verhuurder in het algemeen te hanteren voorwaarden van
de overeenkomst van huur en verhuur;
e. het beleid inzake de huurprijzen;
f. de samenstelling, het kwaliteitsniveau en de prijs van het door
de verhuurder aan te bieden pakket van diensten die rechtstreeks verband
houden met de bewoning, het betrekken van een woongelegenheid en het
huisvesten van personen.
3. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor informatie,
tegen de verstrekking waarvan het bedrijfsbelang van de verhuurder
zich verzet.
4. De informatie over de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onderdelen
a en e, heeft betrekking op het tijdvak van twaalf maanden, volgende
op het tijdstip van verstrekking van die informatie; tevens wordt
een indicatie gegeven over de ontwikkeling met betrekking tot deze
onderwerpen in de daaropvolgende jaren.
5. De verhuurder en de huurdersorganisatie kunnen, onverminderd het
tweede lid, schriftelijk nadere afspraken maken over de onderwerpen,
waarover informatie wordt gegeven.
6. Indien de huurdersorganisatie de verhuurder te kennen heeft gegeven,
overleg met hem te willen voeren over de verstrekte informatie, stelt
de verhuurder de huurdersorganisatie daartoe in de gelegenheid.
Artikel 4
1. De verhuurder informeert de betrokken huurdersorganisatie eigener
beweging schriftelijk over zijn voornemens
a. tot wijzigingen in het door hem gevoerde beleid, bedoeld in artikel
3, tweede lid; en
b. inzake het beleid tot vervreemden en bezwaren van woongelegenheden.
Artikel 3, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2. De verhuurder geeft daarbij aan, wat de beweegredenen zijn voor
zijn voornemens en welke gevolgen daaruit voor de betrokken huurders
voortvloeien.
3. De verhuurder en de huurdersorganisatie kunnen, onverminderd artikel
3, tweede lid, schriftelijk nadere afspraken maken over de onderwerpen,
waarover informatie wordt gegeven.
4. Indien de huurdersorganisatie de verhuurder te kennen heeft gegeven,
overleg met hem te willen voeren over de verstrekte informatie, stelt
de verhuurder de huurdersorganisatie daartoe in de gelegenheid.
Artikel 5
1. De verhuurder voert een voornemen tot wijziging in het door hem
gevoerde beleid, bedoeld in artikel 3, tweede lid, niet uit dan nadat
hij binnen een door hem aan te geven periode van ten minste vier weken
na het verstrekken van de informatie overeenkomstig artikel 4 de huurdersorganisatie
in staat heeft gesteld met hem over de verstrekte informatie overleg
te voeren en, indien de huurdersorganisatie dat wenst, daarover een
schriftelijk advies uit te brengen.
2. Binnen veertien dagen na ontvangst van een schriftelijk advies
als bedoeld in het eerste lid deelt de verhuurder, indien hij het
advies geheel of gedeeltelijk niet volgt, schriftelijk aan de huurdersorganisatie
de redenen daarvoor mee.
3. De verhuurder kan zijn voornemen uitvoeren:
a. na ontvangst van een schriftelijke mededeling van de huurdersorganisatie
dat deze geen bezwaar heeft tegen het voornemen;
b. nadat de door de verhuurder gestelde termijn, bedoeld in het eerste
lid, is verstreken;
c. drie dagen nadat een schriftelijke mededeling als bedoeld in het
tweede lid door de huurdersorganisatie is ontvangen.
Artikel 6
Bij schriftelijke overeenkomst tussen de verhuurder en de huurdersorganisatie
kunnen aan de huurdersorganisatie meer bevoegdheden dan de in deze
wet genoemde worden toegekend.
Artikel 7
1. De verhuurder vergoedt aan de huurdersorganisatie de kosten die
rechtstreeks samenhangen met en redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor
de vervulling van de taken, genoemd in de artikelen 3 tot en met 5.
Onder deze kosten worden mede de kosten van scholingsactiviteiten
begrepen.
2. De verhuurder vergoedt ten minste 50% van de door de huurdersorganisatie
uit hoofde van de in artikel 1, eerste lid, onderdeel f, onder 3E,
bedoelde activiteiten gemaakte kosten, voor zover deze kosten rechtstreeks
uit die activiteiten voortvloeien.\3. Vergoeding van de in het eerste
en tweede lid bedoelde kosten geschiedt binnen vier weken na het tijdstip
waarop de verhuurder van de huurdersorganisatie een voldoende gespecificeerde
rekening heeft ontvangen. De verhuurder is slechts verplicht tot betaling,
voor zover de kosten betrekking hebben op een tijdvak van ten hoogste
vijftien maanden, voorafgaande aan het tijdstip van indiening van
de rekening.
4. De verhuurder is slechts verplicht tot betaling van de in het tweede
lid bedoelde kosten, indien de huurdersorganisatie, voorafgaande aan
het kalenderjaar waarop die kosten betrekking hebben, een begroting
van deze kosten heeft ingediend.
HOOFDSTUK 3. GESCHILLENREGELING
Artikel 8
Geschillen die voortvloeien uit deze wet, worden voorgelegd aan de
kantonrechter.
HOOFDSTUK 4. SLOTBEPALINGEN
Artikel 9
Onze Minister zendt binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze
wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en
de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 10
1. Deze wet treedt in werking met ingang van de eerste dag van de
vierde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin
zij wordt geplaatst.
2. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet enig
orgaan, niet zijnde een huurdersorganisatie, in het bijzonder werkzaam
is ter behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de huurders
bij een verhuurder, wordt dat orgaan tot twee jaar na de inwerkingtreding
van deze wet, doch uiterlijk tot het tijdstip met ingang waarvan een
huurdersorganisatie voor de betrokken huurders is opgericht, aangemerkt
als huurdersorganisatie.
3. De in artikel 7, vierde lid, genoemde verplichting voor de huurdersorganisatie
tot indiening van een begroting dient voor het kalenderjaar waarin
deze wet in werking treedt, te worden ingediend binnen twee maanden
na de inwerkingtreding van deze wet.
Artikel 11
Deze wet wordt aangehaald als: Wet op het overleg huurders verhuurder.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst
en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Tavarnelle, 27 juli 1998 Beatrix
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en
Milieubeheer,
D.K.J. Tommel
Uitgegeven de dertiende augustus 1998
De Minister van Justitie,
A.H. Korthals